|
Actueel
adresgegevens
mededelingenkrant
persberichten
Het Museum
Het pand
Balieruimte
Exposities
Gelagkamer
Stijlkamer
Bovenzaal
Uitgaven (boeken)
Vrijwilligers
Vrienden van
Winkel
Archeologie
Werkgroep
Opgravingen
De Vergulde Swaen
Herv. kerk Heerjansdam
Pietermankerk
Slagveld
Veerplein
Genealogie Geschiedenis Zwijndrecht
Algemeen
Geschreven geschiedenis bedijking
Wapen en vlag
naam
Bedrijvigheden
Glasfabricage
Guanofabriek
Howard & Co
Jurgens & v/d Berg
Scheepswerf Kooiman
tuinderijen
Veiling
zoutbereiding
Zoutketen
Bijzondere perioden
bezettingsjaren
St. Elisabethsvloed
Doleantie
Bezettingsjaren
Watersnood 1953
Kanaal om Zwijndrecht
Dijkverhoging
Aanleg tunnel
Zwijndrechtse Nieuwlichters
Burgemeesters
Heerlijkheid Meerdervoort
Kasteel Develstein
Klooster Eemstein
Kunst
Anton Verhoeven
Willy Sluiter
Clement Bezemer
Lucien den Arend
Beeldenpark
Beeldenroute
Monumenten
Kijfhoekkerk
Oude kerk
Lindtse kerk
Pietermankerk
Raadhuis
Rotterdamseweg 38
Watertoren
Verdwenen monumenten
Boerderij Kerkstraat
Huis Nederhoven
Huis Walburg
Molens
Raadhuis Veerplein
Stadsgalg
Veerhuis
Verkeer en vervoer
Rijksweg
Spoor
Spoorbrug
RTM
Veer
Voormalige gemeenten
Meerdervoort
Heer Oudelands Ambacht
Kijfhoek
Groote Lindt
Kleine Lindt
Heerjansdam
Historische Vereniging
Lidmaatschap
Interesseavonden
Periodiek
Schenkingen
Uitgaven (boeken) (zelfde als bij Museum) Fotoarchief
Collectie Van Dam
Overige
| |
Zwijndrechtse Nieuwlichters
De Zwijndrechtse Nieuwlichters of de
Zwijndrechtse Broederschap
Het begin
Puttershoek –
Polsbroekerdam – Dordrecht – Puttershoek
Te Zwijndrecht. Bloeitijd.
Verval
Hun godsdienstige opvattingen
Gebruiken
Toen in 1829 de Christelijke Broedergemeente zich in Zwijndrecht vestigde, was
dat het begin van hun bloeitijd. Mede daardoor gingen ze de geschiedenis in als
de Zwijndrechtse Nieuwlichters. “Nieuwlichter” is eigenlijk een scheldnaam, hen
gegeven vanwege het “nieuwe licht” dat ze brachten. Zo stonden ze ook bekend als
de belijders van het zwavelstokkengeloof, omdat ze hun kost onder meer
verdienden door de verkoop van zwavelstokken, of als “Vadersgoedje” daar zij
alle bezit als eigendom van God, als “’s Vaders goed” beschouwden.
Op het hoogtepunt kende de broederschap zo’n 150 leden.
Het verhaal van één der vele in de negentiende eeuw afgescheiden groepen die de
christelijke boodschap volgens de oorspronkelijke waarden wilde herstellen en
uitdragen, het verhaal van eenvoudige mensen die op grond van hun godsdienstige
opvattingen een gemeenschap opbouwden.
Het begin
Vier mensen spelen en belangrijke rol bij het ontstaan van de groep: Stoffel
Muller, een schipper; Maria Leer, een gewone vrouw; Schout Valk, een
burgemeester; en Arie Goud, een welgestelde Rotterdammer.
Maria Leer
werd op 20 juni 1788 te Edam geboren. In 1794 overleed haar vader,
twee jaar later haar moeder. Met haar drie jaar oudere broer werd ze opgenomen
in het weeshuis, haar 17-jarige broer kwam onder voogdij van de Regenten der
Armenkamer. Haar ouders waren Luthers. Maria werd in 1806 aangenomen als lidmaat
der Gereformeerde (de Hervormde) Kerk. Nadat ze in 1808 het weeshuis verliet,
werd ze eerst dienstbode bij een Rooms Katholieke familie te Alkmaar en later te
Edam bij de schout (de burgemeester). Na een aantal jaren vertrok ze naar
Amsterdam, waar ze naaister werd. Graag bezocht ze kerkdiensten, vooral van
dominee Tendal.
Stoffel Muller
werd op 16 februari 1771 te Puttershoek geboren. Zijn vader was turfschipper,
welk bedrijf Stoffel na diens dood voortzette. Hij trouwde met Helena
Groenendijk. Al jong nam zijn vader hem dikwijls mee naar samenkomsten die in de
week door godsdienstige gezelschappen werden gehouden. Hier deed hij veel
Bijbelkennis op. Ook wanneer de vorst varen belemmerden, studeerde hij veel in
de Bijbel. Hoofdzakelijk door het in aanraking komen met mensen van allerlei
stand en levensopvatting en door eigen nadenken kwam hij tot zeer verlichte
denkbeelden. Door het te pas en te onpas verkondigen van zijn godsdienstige
opvattingen, geraakte hij dikwijls in moeilijkheden. De menen in Puttershoek
wilden weinig weten van zijn denkbeelden en ook Helena en zijn zoons vonden zijn
opvattingen zo eigenaardig dat ze besloten met zo’n dweper niet langer samen te
wonen. Stoffel vetrok naar Waddingsveen (thans Waddinxveen), waar hij aanhang
vond bij verschillende landarbeiders. Hij wilde de Christenheid terugbrengen tot
een leven van onderlinge liefde en broederzin. Om dit te bereiken, achtte hij
het nodig zelf het goede voorbeeld te geven door een broederschap te stichten
waar, zoals in de Handelingen der Apostelen beschreven staat, niet alleen
geestverwantschap, maar ook gemeenschap van goederen zou zijn.
Voor dit plan vond hij instemming en medewerking bij Schout Valk, sinds
1815 burgemeester en secretaris van Waddingsveen. Ondanks de gunst van de
burgemeester werd de “secte der Nieuwlichters” bespot en geminacht. De meesten
van hen waren dagloners, die echter vanwege hun opvattingen zelden door de
boeren in dienst werden genomen. Schout valk echter stelde voor hen zijn huis en
tafel open, hetgeen hem uiteindelijk een herbenoeming kostte. Valk reageerde
echter: ”Weet gij niet, dat Jezus het arme en onedele heeft uitverkoren, dat al
wat wij aan de minste zijner broederen doen door de Heer gerekend wordt aan hem
gedaan te zijn?”
“Het ambt dat Jezus hem opdroeg, was hem meer waard dan dat, wat de koning hem
schenken kon.”
Muller stelde Valk voor in Amsterdam enkele bovenlandse aken te kopen en deze op
een werf in Puttershoek te slopen teneinde de afbraak te verkopen. Zodoende
zouden er vele handen aan werk geholpen worden en zou de groep wellicht in hun
onderhoud kunnen voorzien.
In Amsterdam kwam Maria in contact met Stoffel en zij was het geheel met zijn
denkbeelden eens. In datzelfde jaar (1816) vertoefde een veertigtal Wurtembergse
gezinnen in Amsterdam om vandaar naar Amerika te vertrekken, waar zij in
gemeenschap van goederen wilden leven. Enkele jaren eerder was al een groep
vertrokken onder leiding van de predikant George Rapp. Zij waren in zoverre
geestverwanten, dat zij beiden de gemeenschap van goederen als een essentiële
trek van het christendom beschouwden en dat zij het Koninkrijk der Hemelen niet
boven lucht en wolken, maar hier op aarde zochten. Verder liepen hun opvattingen
uiteen. De Wurtembergers verwachtten een rijk van vrede en liefde door de
wederkomst van Jezus op aarde, welke zij in hun gemeenschap in Amerika
ongestoord wilden afwachten. De Nieuwlichters verwachtten een rijk van liefde en
vrede door een terugkeer van de Christenen tot de in Handelingen 2 en 4
beschreven toestand der eerste christelijke gemeente.
Drie aken werden gekocht en Maria, Stoffel en enkele van de Duitsers voeren via
Warmond en Waddingsveen naar Puttershoek. Schout Valk ging vooruit om de
broeders en zusters te Warmond op de hoogte te brengen.
In Waddingsveen aangekomen vond net die dag een begrafenis plaats van een der
geestverwanten. Diens vrouw had voor zijn sterven een visioen van een begrafenis
gezien, waarbij Stoffel Muller en een vreemde vrouw met palmtakken in de hand
vooraangingen. Toen Muller en Maria op de dag van de begrafenis te Waddingsveen
aankwamen, moesten beiden bij de begrafenis vooraan lopen en bij het
begrafenismaal naast elkaar zitten.
Laat in de avond kwam de vrouw, die bij de begrafenis en het maal niet aanwezig
was geweest, met loshangende haren, opgeheven armen en verwilderde ogen aanlopen,
bleef voor de twee staan en vertelde dat ze hen beiden in een droom gezien had.
Als Adam en Eva waren ze in de Hof van Eden gezeten, met een kroon der ere boven
hun hoofd, en een mooie boom met kostelijke vruchten was tussen hen geplant.
Daarop stond Muller op, nam Maria bij de hand en zei: “Die mooie boom, die
tussen ons stond, beduidt de boom des levens, die van nu aan bloesems en vrucht
voor de toekomst belooft. Er staat geschreven: “alles is uit, door en tot God”,
en zij, die deze woorden goed verstaan, kunnen van alle bomen des hofs vrijelijk
eten.”
Na afloop brachten Muller en Maria de nacht door bij valk en de anderen
overnachtten in de schepen. De plaats vooraan, als man en vrouw, hun aangewezen,
besloten Muller en Maria te blijven vervullen tot heil van de broederschap.
De volgende dag zat aan het ontbijt ook aan Arie Goud (1787) en zijn
vrouw Saartje Wulfse, welgestelde mensen uit Rotterdam, die wel mee wilden
werken aan het plan in Puttershoek. Al sprekend raakte men in geestvervoering en
zij zwoeren een eed van trouw aan hun verbintenis tot stichting en verbreiding
van een nieuw godsrijk op aarde. Dit verbond werd beschouwd als de geboortedag
van de later zo genaamde Zwijndrechtse Broederschap.
Behalve dat in de broederschap alle goederen gemeengoed zouden zijn, namen ze
een gelijkvormige klederdracht aan als teken van gelijkheid. Voor de mannen was
dit een duffelse buis en een duffelse broek en voor de vrouwen een zwart baaien
rok en jak, terwijl het schoeisel uitsluitend uit klompen zou bestaan.
Puttershoek
– Polsbroekerdam – Dordrecht – Puttershoek
Op 3 juli 1817 bereikte men de scheepstimmerwerf van Willem Visser te
Puttershoek, maar het welkom in het dorp was bijzonder onvriendelijk. Al snel
werd Maria, die in de winkel van Muller’s moeder inkopen wou doen, aangehouden
door twee dienders vanwege het feit dat ze geen pas kon tonen. Ze werd naar
Dordrecht gebracht waar ze werd ondervraagd, en via Rotterdam, Leiden en Haarlem
zou ze naar Amsterdam gebracht worden. In de gevangenissen waar ze overnachtten
las Maria andere gevangenen voor uit de Bijbel, waarna ze hen toesprak en zei,
na het voorlezen van de tien geboden, dat ieder voor zichzelf wel wist tegen
welke geboden hij gezondigd had, maar dat God hen allen toch lief had. Dat het
niet Gods bedoeling was de goddelozen te kwellen of te doden, maar dat Zijn
liefde zich uitstrekte over goeden en bozen en dat Hij hen er toe wilde brengen
zich te bekeren. Dan zou Hij hen direct hun zonde vergeven, zoals Jezus
gesproken had: “Uw zonden zijn u vergeven, ga heen en zondig niet meer.”
Toen Maria van Haarlem tegelijk met drie gevangenen, die voor het Rasphuis
bestemd waren, naar Amsterdam werd gebracht, trok ze dit zo aan dat ze op het
politiebureau in Amsterdam een zenuwtoeval kreeg, zodat ze naar het gasthuis
moest worden gebracht, dat ze pas na een maand weer mocht verlaten. Ze was nu
weer vrij en begaf zich naar Waddingsveen, waar het huis van Valk nog steeds een
verzamelplaats van de Broederschap bleek te zijn.
Omstreeks 1818 stelde een geestverwant zijn woning te Polsbroekerdam beschikbaar,
waar men in een gehuurde schuur begon met het maken van zwavelstokken om zo in
hun onderhoud te voorzien. Per boot bracht men deze waar ook naar Oudewater,
Gouda, Leiden en Rotterdam. Zwavelstokken of hennipstokken werden gebruikt voor
het ontsteken van een pijp, een kaars, het blokkenvuur in de schouw of een
tuitlamp. In datzelfde jaar sloot een geestverwant uit Leiden, Hendrik van Dijk,
zich bij hen aan.
In 1819 werd Maria moeder van een dochter, Josina, en ofschoon dit meisje nooit
te maken zou krijgen met conscriptie of oorlogsroeping, besloten Muller en zij
uit principe het kind niet aan te geven. Muller werd veroordeeld tot twee jaar
gevangenisstraf en een boete van tien gulden, maar kreeg vrijspraak omdat de
vroedvrouw “een nogal onnoozel mensch was, die niet wist, dat, wanneer volgens
de burgerlijke wet de vader ontbrak, op haar de plicht der aangifte rustte”. Ze
had wel aan maria gevraagd wie de vader van het kind was, maar die had
geantwoord: “Wel, mijn man!”
Eind juli 1820 vertrok de groep naar Dordrecht waar ze in het griend de “Krab”
de zwavelstokkenproductie en -verkoop voortzetten. De overmatige belangstelling
voor de Nieuwlichters gaf al gauw aanleiding tot moeilijkheden. De aak werd
weggesleept naar ’s Gravendeel, de meeste leden naar hun geboorteplaatsen
gezonden en Valk, Muller en Maria leer werden veroordeeld tot een jaar
gevangenisstraf. Omstreeks deze tijd laten Maria en Stoffel zich schrappen als
lidmaat van de Hervormde Kerk.
Na dit jaar kwamen de drie weer samen op de scheepstimmerwerf van Willem Visser
te Putterhoek, waar de andere geestverwanten zich intussen gevestigd hadden. Het
aantal leden der Broederschap nam sterk toe en een huis werd bijgekocht. Maria
kreeg het voor elkaar de aak, die nog in ’s Gravendeel lag, terug te krijgen.
Voor de verkoop van zwavelstokken in Friesland en Groningen kocht men een groter
schip bij, een hoogaarts, om daarmee de Zuiderzee over te steken, en later nog
een tjalk om mee naar Zeeland te varen.
De broedergemeente beleefde een voorspoedige tijd en het feit dat tijdens de
strenge winter van 1822-1823 door hen erwtensoep werd verstrekt aan de armen van
het dorp verbeterde de gezindheid jegens hen.
Bij afwezigheid door verkoop van zwavelstokken van Muller en Maria moest Valk de
tucht handhaven, maar hij was geen echte leider. Hij mijmerde steeds maar over
het Godsrijk, welks komst hij zeer nabij dacht. Tenslotte kocht hij in 1823 een
huis bij Mijdrecht en ging met zijn vrouw Helena van der Gijp de stichting van
diens Rijk op aarde afwachten.
Dan valt in 1829 het besluit Puttershoek te verlaten en zich in Zwijndrecht te
vestigen, waar Willem Visser een scheepsmakerswerf te koop wist.
Te Zwijndrecht. Bloeitijd.
De uit ongeveer vijftig leden bestaande broederschap vestigde zich op de
scheepstimmerwerf Welgelegen. Er stond een goed huis, maar de toeneming van het
aantal leden vereiste meer ruimte, welke men vond in een in onbruik geraakte
danszaal, die in Schellingwoude werd gekocht en op de werf weer werd opgebouwd.
In de week was dit een werkplaats, op zondag een oefeningszaal. Zo was dit
houten gebouw “van een vat ter oneere tot een vat ter eere geworden”, zoals
Muller zei.
Kort daarop werd nog een oud Rijnschip, een Keulenaar, gekocht, op de werf
gesleept en als woonhuis ingericht.
Wat de welvaart nog meer verhoogde was het toetreden van enkele welgestelden:
bakker Ketel uit Krommenie, schoenmaker Heijstek uit Middelburg en Philip Mets
uit Vlissingen (1830). Deze Mets had een eigen chocoladefabriek en verplaatste
die nu naar Zwijndrecht. (Deze Mets kwam met vrouw, zeven kinderen, knecht en
meid naar Zwijndrecht en bracht een kapitaal van drieduizend gulden in.) Het
oude buitenverblijf Zomerlust werd aangekocht voor woning en met een bijgebouwde
schuur begon de chocoladefabriek.
Naast de eigen bakkerij en schoenmakerij kwam men ook in het bezit van een
kleine boerderij, zodat men ook aardappelen, groenten en melk van eigen bezit
had. De broederschap groeide tot een getal van 150 leden.
Was vroeger het maken van zwavelstokken de voornaamste bron van inkomsten, nu
werd het het maken van chocolade. Met kleine schuitjes voer men de gehele omtrek
er mee af; “’t was de welbekende Zeeuwsche chocola in pakjes van oud-Hollandsch
papier met het Zeeuwsche Wapen (en in het rood gemerkt met enkele en dubbele
kapitale A’s (vier in getal))”.
Er heerste orde en tucht en er werd hard gewerkt, onder energieke leiding van
Stoffel Muller.
Wat betreft de weigering om de kinderen na geboorte aan te geven bij de
burgerlijke stand, die kwam allereerst voort uit hun opvatting van het zesde
gebod en het gebod van de naastenliefde. Nadat in 1830, na de oorlog met België,
dienstplicht werd ingevoerd, werd deze weigering weer actueel, want tot die tijd
werd hun negatie van de burgerlijke stand door de vingers gezien. Nadat één van
de drie jongens die niet waren op komen dagen voor de loting, in het militaire
detentiehuis in Leiden overleed, kreeg hun zaak breder aandacht. Stoffel en
Maria schakelden professor Tydeman in om bij koning Willem I vrijstelling voor
de jongens te vragen, omdat het van hen geen koppig verzet was tegen de
verordeningen der overheid, maar trouw aan hun overtuiging die hun het dragen
van wapens verbood. De koning willigde het verzoek in en de jongens mochten werk
in de hospitalen verrichten. Hiermee was de grief tegen de aangifte van
geboorten weggenomen.
Verval
Op 20 april 1823 had men te Puttershoek een oprichtingsakte opgesteld waarin
stond, dat op voorbeeld der eerste Christenen al het ingebrachte geacht werd
gemeenschappelijk goed te zijn. Toen echter tijdens de bloeiperiode zich ook
vele behoeftigen bij hen aansloten, die meenden ook in de rechten van het
contract te delen, kwamen daar sommigen tegenop, vooral degenen die het meest
hadden ingebracht, zoals Ketel, Heystek en Mets. Zij meenden, dat de rechten van
de anderen zich niet verder moesten uitstrekken dan “tot het deel in den arbeid
en de daaruit voortvloeiende verdiensten”. In die geest, dat bij ontbinding
ieder aanspraak zou hebben op het ingebrachte of een evenredige uitkering, werd
op 29 juni 1832 een contract opgesteld. De gebroeders Visser, Stoffel Muller en
Maria Leer waren er tegen. Daar echter bij dit contract een notariële akte te
pas moest komen en Maria leer door openbare instanties als het hoofd van de
Zwijndrechtsche Nieuwlichters werd beschouwd, had men haar handtekening nodig,
die ze uiteindelijk zette. Muller zwichtte omdat Ketel, Heystek en Mets
invloedrijke leden zijn en van Maria verwachtte hij vervolgens echtelijke
gehoorzaamheid.
Tijdens een tocht naar de Ruhr om steenkolen te halen overleed Stoffel Muller te
Varik (bij Tiel), waar hij ook werd begraven. Hoewel eigenlijk Maria nu de
leiding op zich had moeten nemen, deed ze dat niet daar ze in de overtuiging
leefde dat niemand over anderen heerschappij mocht voeren, dat God eigenlijk het
hoofd van de broederschap was. Daar kwam bij dat Maria op grond van de stelling
“gemeenschap van goederen” ook de gemeenschap der vrouwen wilde invoeren; zolang
er nog eigen mannen of vrouwen bestonden, was er geen ware eenheid volgens haar.
Dit idee vond geen ingang bij de anderen.
Vanwege het contract van 1832 ontstond er een scheiding tussen de bewoners van
de werf Welgelegen en die van de chocoladefabriek op Zomerlust. Enkele leden
trokken naar Amerika, Heystek begon een winkel in het dorp. Ook Mets vestigde
zich als winkelier te Zwijndrecht, tot 1858. twee jaar later overleed hij in
Dordrecht.
Ook later gingen nog verschillende verspreide leden van de broederschap naar
Amerika, in 1863 zelfs dertig tegelijk.
Op Zomerlust bleef men het langst, terwijl verschillende leden in het dorp
gingen wonen en waarvan velen tot de hervormde kerk terugkeerden. Maria’s
dochter Josina trouwde met een der Vissers en gingen naar Katendrecht. Maria
sleet te Leiden haar laatste levensdagen. Blijkens het bijschrift op een foto
van haarzelf die ze in 1863 als nieuwjaarswens naar een kennis zond, is ze nog
getrouwd, want ze heet dan Van Stratum. Deze man was in 1857 te Zwijndrecht
overleden, en wordt verder nergens genoemd Ze stierf in 1866..
In 1841 waren er nog negen leden van de broederschap over, in 1843 nog zes, die
bij akte van 28 mei 1841 verklaarden de broederschap ontbonden te hebben.
Hun godsdienstige opvattingen
De Zwijndrechtse Nieuwlichters waren geen theologen, maar eenvoudige mensen
uit het volk, die op grond van godsdienstige opvattingen een broedergemeenschap
opbouwden.
Maria Leer hield zich reeds vroeg met godsdienstige vragen bezig; erfzonde,
verlossing, wedergeboorte, het schulddelgend offer van Christus… Zij schrijft in
haar gedenkschriften:
“Wat vermocht zij tegen het algemeene lot van door Adams val in zonde ontvangen
en geboren, ònmachtig te zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad? Maar
Godlof, de gerechte straf om haar zonde behoefde ze niet te dragen, indien zijn
slechts vast bleef staan in haar geloof. Want die onmacht van den mensch had God
in rekening gebracht bij Zijn eeuwig raadsbesluit; in Zijn barmhartigheid had
hij een tweeden Adam beschikt, die den eersten zou te niet doen en een bolwerk
en schild wilde zijn tegen Gods heilig gericht voor allen, die in de bedeeling
der genade stonden.”
In Amsterdam kwam zij in aanraking met leden van toen overal bestaande
godsdienstige gezelschappen, die in de week samenkomsten hielden, waar
“oefenaars” optraden. De leden van deze gezelschappen zouden later de bekende
Afgescheidenen zijn. Deze mensen waren allen bekeerd, stonden in de genade en
hadden verzoening voor hun zonden gevonden in het bloed van Christus.
De reden dat Maria het hier uiteindelijk toch niet kon vinden, lag in het feit
dat de leden van de vereniging de gewoonte hadden tijden de samenkomsten steeds
te getuigen van hun zonde, hun schuld en hun verdoemelijkheid. Maria leefde meer
in blijdschap over haar bekering. “We moeten ons geloof betonen in onze werken
en als we dat doen, zullen we de zonde overwinnen en niet telkens weer met
bekentenissen van schuld en verdoemelijkheid behoeven aan te komen.” De
wedergeboorte was volgens haar een afdoende waarborg voor de zaligheid en de
mens moest door navolging van Christus zijn eigen zaligheid bewerken.
Maria legde de nadruk op schuldvergeving, de anderen op het schuldgevoel.
Ook Stoffel Muller kwam door zijn belangstelling in godsdienstige vragen met
zo’n vereniging in aanraking, maar ook hem werd het daar te benauwd. De term
“uitverkorenen” scheen hem ongepast voor navolgers van Christus, die nederigheid
en naastenliefde geboden had; Jezus had geleerd dat God alle mensen liefheeft en
het was miskenning van Gods liefde, en zondige hoogmoed, om van uitverkorenen te
spreken en zichzelf altijd tot dien uitverkorenen te rekenen.
De opvattingen van Muller zijn helderder en consequenter dan van Maria Leer. Hij
was een oorspronkelijk denker, die uitgaande van één grondbeginsel langs
logische weg door eigen denkkracht tot een bijna afgerond stelsel is gekomen.
Hij meende: Niemand kan zich van God afkeren, want al zijn schepsels zijn uit
Hem voortgekomen en leven en bewegen zich in Hem. Uit Hem en door Hem en tot Hem
zijn alle dingen (Romeinen 11:36).
Uit dit Bijbelwoord ontwikkelde hij al zijn theologische denkbeelden. Zo kwam
hij tot de overtuiging, dat ook de zonde, dat grote raadsel in het leven van de
mens, uit, door en tot God is. “Geen hellevrucht uit Satan’s macht geboren, maar
werktuig in Gods hand om ons tot Hem te brengen.” De zondeval is dus geen val,
maar een Godsopenbaring, een kennismaking met de zonde die nodig is voor ’s
mensen opvoeding tot het goede.
Het sloeg op deze opvatting, als de mensen tegen hem zeiden dat zij van zijn
“Nieuw Licht” niets wilden weten. En het is hieraan, dat de Zwijndrechtse
Nieuwlichters hun naam te danken hebben.
De kruisdood van Jezus is in dat licht “slechts” de hoogste openbaring van Gods
liefde; in zijn eigen persoon laat Christus zien, wie en wat de Vader is. Het is
uit God, door Jezus Christus, dat wij God leren kennen.
Op één punt verschilden Stoffel en Maria van mening: Muller geloofde aan een
weerzien in het hiernamaals, Maria Leer was van mening, dat het kwade zijn straf
en het goede zijn loon kreeg reeds in dit leven. Als men reeds in dit leven loon
en straf krijgt, waarom zou er dan een eeuwige straf of een eeuwig loon na de
dood moeten bestaan en waarom zouden we dan nog persoonlijk na de dood in een
andere vorm voort behoeven te leven en wat had een weerzien na de dood nog te
betekenen? Wie in deze dingen geloofde, deed God te kort, want dan schreef je
het schepsel een eeuwig zelfstandig bestaan toe en dan zou God ophouden Alles te
zijn. En je deed jezelf ook tekort, want “als ik mezelf zoek, dan ben ik niets,
maar in God ben ik alles”.
“Rekenden de menschen maar niet op hun eigen voortleven en het weerzien in den
hemel, dan zouden ze van het heden wat nuttiger gebruik maken en elkaar er te
liever om hebben en tevreden zijn. Want als ik begeerig ben, naar wat buiten
mijn bereik is, dan heeft wat voor mijn voeten ligt, geen waarde meer.”
gebruiken
Doop en Avondmaal waren voor de Nieuwlichters verouderde ceremoniën. In de
morgen hield men een soort morgenwijding, waarbij meestal de “morgenzang”
gezongen werd en één der broeders of zusters voorging in gebed. Onder de
maaltijd werd een hoofdstuk uit de Bijbel gelezen en naar aanleiding daarvan een
gesprek gevoerd. De maaltijd werd afgesloten met dankgebed en gezang. ’s Avonds
kwam men samen na het volbrengen van de dagtaak en besprak men de belangen van
de broederschap of las men een boek. Had een van de leden stof tot klagen
gegeven, dan werd deze in het openbaar bestraft.
’s Zondags werd niet gewerkt en hield men een openbare godsdienstoefening,
waarin meestal Stoffel Muller voorging. Onder begeleiding van een orgel werd
gezongen. Verscheidene Zwijndrechtenaren bezochten deze diensten.
Bij rouw toonde men geen droefheid, en bij de begrafenis droegen de mannen de
kist op de schouders naar het graf en onderweg zong men psalm 89 vers 7: Hoe
zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort, of gezang 20.
Er werd geen aangifte van geboorte gedaan en huwelijken sloot men voor de
broederschap zonder burgerlijke en kerkelijke bekrachtiging. Vereiste was echter,
dat men de 24-jarige leeftijd had bereikt. (Overigens was het in die tijd geen
gewoonte in de kerk over te trouwen; uit de rapporten van 1846 van de Classis
Dordrecht werden o.a. te Hendrik-Ido-Ambacht in vijftien jaar tijd slechts vijf
huwelijken ingezegend, in Heinenoord in elf jaar tijds geen één en in Oud-Beijerland
in zestien jaar tijds slechts zes.)
Bronnen:
De Zwijndrechtsche Nieuwlichters (1816-1832) volgens de gedenkschriften van
Maria Leer, door D.N. Anagrapheus, Uitgevers-maatschappy “Elesevier” Amsterdam
1892
De Zwijndrechtsche Nieuwlichters, door G.P. Marang, uitgave H. de Graaf
Dordrecht 1909
De Zwijndrechtsche Nieuwlichters, door Is. J. Reedijk, uitgave Wed. Plancken &
Zoon Zwijndrecht, 1938
De Zwijndrechtse Nieuwlichters, door B. de Groot, uitgeversmij. J.H. Kok, Kampen
1986
De hoofdfiguur van De waterman van Arthur Van Schendel is geschreven naar het
voorbeeld van Stoffel Muller, de leider van de Zwijndrechtse Nieuwlichters.
|