Burgemeester de Bruïne
Burgemeester Pieter Johannes Albertus de Bruïne werd op 22 januari 1845 te Vlissingen geboren. Voordat hij op 32-jarige leeftijd op 17 augustus 1877 tot burgemeester van Zwijndrecht werd benoemd, was hij burgemeester van de gemeenten Hoogwoud en Opmeer.

Bij zijn aantreden telde Zwijndrecht 3300 inwoners. Eén van zijn eerste
maatregelen was het tegengaan van drankmisbruik en het bevorderen van het schoolgaan.
De bestaande Kerkstraatschool voldeed niet aan een plaatsruimte van 500 leerlingen.Reeds
in 1880 werden twee scholen met bijbehorende woningen feestelijk geopend.
In 1898 werd de gemeentelijke drinkwatervoorziening feit. Zelfs de gemeente
Hendrik-Ido-Ambacht was aangesloten op dit buizennet. Zo kwam een einde aan
het drinken van rivierwater.
In 1881 werd Zwijndrecht uitgebreid met de dorpen
Groote Lindt en Kijfhoek en kwam het inwonertal op 4462.
Besprekingen met
de in Rotterdam gevestigde Internationale Guano en Superphosfaatwerken leidden
ertoe dat in 1895 dit bedrijf te Zwijndrecht werd gevestigd. Het bod op dit
terrein werd door zijn toedoen van Hfl. 40.000,- tot hfl. 75.000,- opgetrokken.
Door deze fabriek ontstond er ook meer goederenvervoer. Het station stond ver
weg (Pieterman). Door bemoeiing van burgemeester de Bruïne werd een nieuw
station gebouwd.
Door inzet van burgemeester de Bruïne werd in 1900
voorkomen dat Dordrecht Zwijndrecht annexeerde. De uitbreidingsmogelijkheden
waren voor Zwijndrecht zo groot, dat zelfstandigheid van de gemeente een belofte
voor de toekomst inhield. Dit was het grootste argument en burgemeester de Bruïne
heeft er persoonlijk voor gezorgd dat deze belofte bewaarheid werd.
Inmiddels
was er een tramlijn aangelegd door de
Rotterdamsche Tramweg Maatschappij,
lopend vanaf het Veerplein, via overbrugging van de Onderdijkse Rijweg, Damsteeg,
en vervolgens rechts van de Rotterdamscheweg naar de Middeldijk, waar verdere
verbinding mogelijk was met Rotterdam en de Hoekse Waard. Deze verbinding was
een aanzienlijke verbetering voor het bedrijfsleven als voor de tuinder, die
nu zijn koemest direct per wagon kon bestellen en ontvangen.

Wagons
met mest. Nadeel was dat deze soms een heel weekend bleven staan, tot ongenoegen
van de bewoners.
Behalve voor het bedrijfsleven had De Bruïne
ook oog voor de tuinder. Naast het telen was deze hard in de weer zijn producten
ook verkocht te krijgen in Dordrecht of Rotterdam. Daar werd met paard en wagen,
maar ook per roeiboot naar toe gegaan. In 1902 zocht hij contact met dhr. Claassen,
rijkstuinbouwleraar te Boskoop en dit resulteerde in tuindersvereniging "Zwijndrechtsch
Belang".

ambtswoning Veerplein
In januari 1903 werd besloten tot het oprichten van een
veiling. Deze werd gehouden op het Zomerlust. Het ontbreken van eendracht onder
de tuinders was de oorzaak van de oprichting van een tweede vereniging in 1904
onder de naam "De Volharding". Deze vereniging kreeg het Veerplein toegewezen
om te veilen. Burgemeester de Bruïne spande zich in deze twee verenigingen
samen te voegen en in 1908 werden ze beide ontbonden.
Op 27 maart 1908 werd
de Boerenleenbank opgericht onder voorzitterschap van de heer van Epenhuijsen.
Voor de kleine tuinders stond nu de mogelijkheid open geld te lenen van hun
eigen bank. Een jaar later kwam de Proeftuin voor Zwijndrecht en Omstreken tot
stand.
In 1902 deed de gelegenheid zich voor tot het aankopen van de Heerlijkheid
Meerdervoort. Deze aankoop was bestemd om te zijner tijd huizen te bouwen.
De vestiging van Van den Bergh´s Zeepfabrieken in 1912 en in 1914 van
de fabriek van Anton Jurgens uit Oss (Jurgens Oliefabrieken) betekende werk
voor vele honderden arbeiders. De opgerichte Bouwvereniging Zwijndrecht bevorderde
de woningbouw: in Tuindorp Meerdervoort 250 woningen, Da Costastraat 114, Julianadorp
in 1920, Lindelaan, overal verrezen woningen.

echtpaar De Bruïne-Hartog
Tenslotte begon hij met de aanleg van een verbindingsweg tussen het station
en de Rotterdamscheweg. Bij zijn afscheid in 1917, na veertig dienstjaren, werd
hem een monumentale straatlantaarn aangeboden die lange tijd dienst deed op
het punt Rotterdamseweg/Burg. de Bruïnelaan. Later is deze paal verplaatst
naar het plantsoen nabij de Julianastraat/Prins Bernhardstraat.
Bij het neerleggen
van zijn ambt kwam er overigens ook een einde aan zijn ambt als dijkgraaf.
Reeds twee jaar later, op 13 februari 1919, overleed de Bruïne te Dordrecht.
Zijn vrouw overleed in 1931. Samen hadden ze vijf kinderen.
anekdote
Een
aardige anekdote dateert van net na de eeuwwisseling. Tijdens een Koninginnefeest
op 31 augustus gebeurde het ´s avonds dat "er wat broeide". De alcohol
had rijkelijk gevloeid en twee agenten vertrouwden de rumoerige glasblazers
niet. Ze wilden de burgemeester waarschuwen, maar troffen deze niet thuis. Ook
het "Potloodje van de Burgemeester", een der voornaamste klerken van de secretarie
die voor de burgemeester insprong als deze er niet was, was ook niet thuis.
Maar terwijl de tweeagenten stonden te beraadslagen wat te doen, was burgemeester
de Bruïne al in volle actie op het Veerplein. Met een gummistok mengde
hij zich in een vechtpartij en scheidde twee briesende vechtersbazen. Het "deerntje"
waar de ruzie om begonnen was, rammelde hij stevig door elkaar met de woorden
"Vooruit, en nu naar je moeder. Het stro van de wieg zit nog achter je oren.
Als de drommel naar huis! En o wee, als ik je vanavond nog tegenkom!"
Eén
van de vechtersbazen had zich al geschrokken uit de voeten gemaakt, de tweede
echter trok een mes. Maar de burgemeester greep de kerel en bracht hem eigenhandig
naar de "nor" waar hij zijn roes kon uitslapen.
Stoop, Anthony Azn.
Brouwer, Petrus Marius
de Bruïne, Pieter Johannes Albertus
Doorn, Petrus
Jansen Manenschijn,
Jan Albert Jacob
Aeckerlin, Abraham
Slobbe,
Cornelis
De
Vergulde Swaen