Burgemeester Petrus Doorn
Burgemeester Petrus Doorn, geboren op 18 september 1874 te Delft, werd op
29-jarige leeftijd onder het kabinet Kuyper benoemd tot burgemeester van de
gemeente Ambt-Almelo. Op 1 december 1913 werd deze gemeente samengevoegd met
Stad Almelo, waarvan de burgemeester van deze gemeente burgemeester werd en
burgemeester Doorn op wachtgeld werd gesteld. Op 11 juni 1917 werd hij benoemd
tot burgemeester van Zwijndrecht. Zijn installatie rede stelde hij in het teken
van het woord "Linquenda" (het moet verlaten worden).
Hij was een man met
een eigen overtuiging en streng Anti-Revolutionair. Bij zijn aantreden was als
gevolg van de Eerste Wereldoorlog de bijna stormachtige vooruitgang op elk gebied
van de gemeente lam gelegd. De alhier gevestigde industrieën waren voor
een groot deel betreffende hun grondstoffen aangewezen op aanvoer over zee.
De engelse blokkade werkte als een zeef. Zij maakten uit wat wel en niet door
mocht. Zo teerden de bedrijven op hun voorraad. Zoals de Kon. Rijstpellerij,
geen aanvoer van rijst. Guanofabriek, Jurgens en Van den Berg.... Al deze bedrijven
waren genoodzaakte hun personeelsbestand in te krimpen. Vele kostwinners waren
gemobiliseerd en de distributie van levensmiddelen, kolen en andere brandstof,
olie, zeep enz. was ingevoerd. Zo kon dan burgemeester Doorn een vooruitstrevend
mens zijn, onder deze omstandigheden kon hij dit niet ontplooien. De nood in
Zwijndrecht was hiervoor te groot. Honger en armoede gingen hand in hand. Dat
zelfs de beter gesitueerden in moeilijke omstandigheden leefden, bewijst wel
het feit dat B&W op 30 oktober 1917 de bovenzaal van het gemeentehuis beschikbaar
stelden voor studerende kinderen. Daar was warmte en licht. Duidelijk wordt
dat het moeilijk viel de gemeente op het bestaande peil te houden, en aan grote
uitbreidingsplannen kon niet worden gedacht. Wel nam Doorn in de gemeenteraad
het initiatief grote hoeveelheden brandhout en turf te kopen en deze tegen kostprijs
te verkopen en het turfmolm aan de armen gratis te verstrekken. Overbodige of
zieke bomen werden gerooid; het hout werd verkocht of gratis verstrekt. De takkenbossen
werden aan de broodbakkers voor hun oven verkocht.
Op 26 november 1917 werd
een politieverordening van kracht tegen het vloeken. Hiermee haalde Zwijndrecht
landelijke bekendheid. In het gemeentehuis hingen kleine bordjes die het misbruik
van Gods Naam tegen moesten gaan. Hoewel geen man van academische vorming, had
hij op deze aangelegenheid een visie die hem in staat heeft gesteld een stel
verordeningen te ontwerpen waarin hij de taak en de bevoegdheid van de overheid
in dezen zo glashelder heeft aangegeven, dat zij het model zijn geworden voor
vele gemeenten.
Of dit nu in het dagelijks leven merkbaar was, speelde geen
rol, burgemeester Doorn deed het werk uit volle geloofsovertuiging en zoals
hij dacht dat het goed was. Op zijn ziel woog zwaar dat de Overheid Gods dienaresse
is en dat zij moet vragen naar Zijn wil en niet naar de wensen "der bedorven
massa".
Onder Doorn´s leiding verdween het tonnenstelsel, werd
de drinkwatervoorziening verbeterd, werden plannen gemaakt voor Badhuis en Zweminrichting,
en verdere uitbreiding van de gemeente. Ook zette hij zich in voor de bestrijding
van tuberculose. Er kwam een muziektempel op het Oranjeplein en op het eilandje
Meerdervoort waar diverse muziekkorpsen concerten konden geven.
De bebouwing
van de Burg. de Bruïnelaan - prins Mauritsstraat enz. vond langzaam maar
zeker plaats. De verbindingsweg Langeweg - Lindelaan werd aangelegd (de tegenwoordige
Burg. Doornlaan, waarvan het gedeelte vanaf de Langeweg tot de Willem van Oranjelaan
na de aanleg van de Koninginneweg "Koninginneweg-c" kwam te heten.)
Ook was er een
plan de oprit aan de Langeweg naar de Ringdijk te verlengen en te verbreden,
die veel te stijl was en voor het verkeer naar Dordrecht veel te smal. Veel
vervoersmiddelen die de pont gebruikten, beschikten niet over voldoende kracht
de oprit te "nemen" en moesten over goede remmen beschikken bij het afrijden.
Regelmatig werd een hoekhuis van de Onderdijkserijweg geramd. Enkele winkels
en woonhuizen moesten voor het plan onteigend worden. Waar nodig werden deuren,
ramen en kozijnen verhoogd. In 1925 werd de nieuwe oprit in gebruik genomen.
OP 11 december van dat jaar werd het nieuw aangebouwde en verbouwde gemeentehuis
geopend, dat nu centraal werd verwarmd en elektrisch verlicht.
In 1926 vond
de uitbreiding plaats van de Gasfabriek. Naast een grotere productie zou dit
tevens de zondagsarbeid beperken.

Op 11 juli 1928 vierde hij zijn 25-jarig ambtsjubileum als burgemeester.
Op 6 december 1928 deelde loco-burgemeester J. Bezemer de raad mede, dat
burgemeester Doorn wegens ziekte de raadsvergadering niet kon voorzitten en
wegens ziekte rust moest houden. Wie kon vermoeden dat op 26 december van dat
jaar burgemeester Doorn de eeuwige rust zou ingaan? De 29e december, wel heel
tragisch, op de verjaardag van zijn vrouw, werd het stoffelijk overschot de
burgemeesterswoning uitgedragen (Veerplein). Geflankeerd door het politiekorps
werd de lijkwagen gevolgd door twaalf volgkoetsen. De politie van Dordrecht
verzorgde het verkeer en de rust op de begraafplaats bij de Kerkstraat. De belangstelling
was overweldigend groot. Petrus Doorn liet een vrouw en drie dochters na.

Op 1 januari 1929 werd een extra (rouw)nummer uitgegeven van "De Magistratuur"
die geheel gewijd was aan de nagedachtenis van Petrus Doorn.
Naast zijn
ambt als burgemeester was Doorn lid van de gewestelijke - en voorzitter van
de Plaatselijke landstormcommissie, erevoorzitter van de Zwijndrechtse Burgerwacht,
bestuurslid van de Bond tegen het misbruiken van Gods Naam, en secretaris/penningmeester
van de vereniging "Groen van Prinsterer".
anekdote
Een
aardige anekdote is de rumoerige raadsvergadering van 30 mei 1924 waarin de
gemeenteraad zich voor de tweede maal die week boog over het feit dat hier in
Zwijndrecht de zuigelingensterfte hoger zou zijn dan in Dordrecht. Kamerlid
Schaper had hierover in de Tweede Kamer een vraag gesteld. Tijdens de eerste
bijeenkomst (27 mei) waarin de heer Kögeler vragen had gesteld over Schapers
opmerkingen in de Kamer, waren de gemoederen verhit geraakt en speelde ook de
partijpolitiek een rol.
Die 30e mei bestreed de heer Horsman dat zijn
fractieleden het rapport over de zuigelingensterfte voor "hun standje" nodig
zouden hebben. Hij brengt een "eere-saluut" ten adresse van burgemeester Doorn
die zich energiek heeft ingezet voor de hygiënische toestanden in Zwijndrecht.
Vervolgens stelt hij dat de heer Schaper niet beoogd had de voorzitter van de
raad te bekritiseren, hoewel hij wel van mening is dat Zwijndrecht een "Mekka"
is van de A.R.P..
De heer Los stelt dat het geen goede zaak is wanneer in
een raadsvergaderingen vragen gesteld worden over gezegdes in andere colleges
en uitspraken in dagbladen. Wethouder van Schaardenburg vindt Los´ betoog
niet zakelijk en verzoekt hem met voorstellen te komen. De heer Kögeler
wilde alleen de heer Horsman beantwoorden en niet ingaan op de onjuistheden
van de heer Los.
Tijdens de redevoeringen van de heren Kögeler en Los
liet het raadslid Stolk regelmatig en luidruchtig zijn afkeuring horen. Hij
bezigde tijdens de rede van Los ook menige malen het woord "strooplikker". De
burgemeester riep hem herhaaldelijk tot de orde. Vergeefs. Toen Kögeler
het woord voerde, riep Stolk luid: "Je zuigt ook overal venijn uit!"
De burgemeester
had Stolk nu al diverse malen verzocht te zwijgen, zonder resultaat. Integendeel,
hij werd steeds opgewondener. Hij kreeg niet het woord, hij nàm het, zodat de
heer Kögeler zich genoodzaakt zag te zwijgen. Burgemeester Doorn sommeert
Los te vertrekken. Alleen... hij blijft. De voorzitter laat vervolgens de sterke
arm aanrukken. Twee agenten komen en informeren nog of het ernst is. Het is
ernst: Stolk moet d´r uit. Dit blijkt tijdrovender dan verwacht. Diversen
verheffen zich van hun zetel en bemoeien zich er mee. Rukken en trekken enerzijds,
tegenhouden aan de andere kant. Ooggetuigen verklaren dat sommigen een kop hadden
die nog rooier was dan de kleur van de politieke partij die zij vertegenwoordigden;
anderen lijken niet meer representant van de antirevolutionaire partij. Eén
afgevaardigde wordt bij de keel gegrepen, weet nog met moeite "ik stik" uit
te brengen. Los, op de grond liggend, zet luidkeels het Wilhelmus in. Vergeefs,
het strijdgewoel komt niet ten einde.
Uiteindelijk wordt Stolk "weggewerkt".
Tot ieders verbazing echter komt hij nog even terug: via het matje dat wegschiet
op de pas geboende vloer.
De vergadering, die inmiddels geschorst was, werd
hervat en de heer Los biedt namens de heer Stolk zijn verontschuldigingen aan,
maar de raad is van mening dat de heer Stolk dit zelf moet doen. Hij is daartoe
bereid, mits "die vent (Kögeler) hem niet blijft zitten uitlachen". De
heer Kögeler ontkent te zitten lachen, en als het er op lijkt dat burgemeester
Doorn de heer Stolk opnieuw wil laten verwijderen, biedt hij toch maar zijn
excuses aan. Daarmee is de zaak afgesloten.
Naar aanleiding van deze
vergadering werd, in navolging op de vraag hoever ter handhaving van de orde
in een raadsvergadering tegen ordeverstorende raadsleden mag worden opgetreden,
een reglement van orde opgesteld, die door de Hoogen Raad in strijd met de wet
werd verklaard, waarop een nieuw reglement werd gemaakt. Hiermee werden alle
geschilpunten in deze materie overigens nog niet opgelost. Wederom had Zwijndrecht
het landelijke nieuws gehaald.

Raadzaal,
1926
v.l.n.r.: L. Los, Jac. Bakker, J. Stolk, D. Stehouwer, P.J. van Gilst,
C.J. Buitendijk, I.M. van Schaardenburg (wethouder), P. Doorn (burgemeester),
W.J. van der Veen (secretaris), Jac. Bezemer (wethouder), P. Stoop, A. Kraayeveld,
J.P. Kögeler, A. Middelhoek, H.J. Horsman, A. Smit, H. de Vos (ontbreekt);
op de achtergrond een verslaggever.
Stoop, Anthony Azn.
Brouwer, Petrus Marius
de Bruïne, Pieter Johannes Albertus
Doorn, Petrus
Jansen Manenschijn,
Jan Albert Jacob
Aeckerlin, Abraham
Slobbe,
Cornelis
De
Vergulde Swaen