Klooster Eemstein
Stichting
St. Elisabethsvloed
Verwoesting
Bloei
opgravingen
Stichting
Op 14 juli 1377 verkregen Reinoud Johan Minnebodezoon
en zijn vrouw Sophie toestemming van Hertog Albrecht van Beieren, graaf van
Holland, om op hun landgoed Eemstein uit eigen middelen nabij Eemkerk (circa één
uur gaans van Dordrecht) een klooster te stichten. Reinoud was een burger van
Dordrecht en naar alle waarschijnlijkheid uit het geslacht Van Brakel. In 1382
bekrachtigde de Utrechtse bisschop Florens van Wevelinkhoven de stichting van
een kerk en klooster die onderdak zou bieden aan dertien kanunniken onder leiding
van een proost. Het Augustijnenklooster werd gewijd aan de Verlosser. De kloosterlingen
droegen "witte caputsen met vierkante zwarte bonnetten en witte subtilen".
Eemstein verkreeg dankzij Reinoud het visrecht op de Merwede, tot dan toe in
het bezit van de abdij van Heisterbach in de Dordrechtsche Waard. Dit recht
werd door het klooster aan derden verpacht. Ook financierde hij in 1395 een
reis van een Utrechtse kanunnik naar Rome om de stichting van het zogenaamde
Kapittel van Windesheim te laten bekrachtigen, een kloostervereniging waar ook
Eemstein bij was aangesloten. Het klooster, het vierde in een reeks van 84 mannen-
en 13 vrouwenkloosters van de congregatie, beleefde een snelle groei.
St. Elisabethsvloed
In november 1421 trof de Grote Zuidhollandse Waard een grote ramp. Tijdens
een hevige storm braken te middernacht de dijken van de polder en stroomde de
Zuidhollandse Waard onder water.
Volgens de geschiedenis zijn 72 dorpen door
het water weggevaagd. Slechts veertig zijn er later weer opgebouwd. Deze overstroming
heeft het hele gebied van aanzien veranderd. De loop der rivieren werd gewijzigd
en Dordrecht kwam op een eiland te liggen.
Ook klooster Eemstein werd
door het water verzwolgen. De dakloze kannuniken werden opgevangen door kloosters
die ook onder het Kapittel van Windesheim ressorteerden. Van Heisterbach werd
niets meer vernomen.
In 1430 verkregen de kannuniken van Eemstein in de Zwijndrechtse
Waard bij de Devel een terrein om hun ten onder gegaan klooster te herbouwen:
Domusoord, op enige afstand van het dorpje Kijfhoek. Philips van Bourgondië
(de Goede) begiftigde de kloosterlingen met een "startsubsidie". In 1435 vond
de wijding plaats van het oostelijke deel van de kerk, het hoofdaltaar en een
gedeelte van de kloostergebouwen.
Bloei
Eemstein behoorde tot
de grotere kloosters in de noordelijke Nederlanden. In 1516 bestond de kloostergemeenschap
uit 19 kanunniken en 26 lekebroeders. Zij hadden 15 huurknechten in dienst die
hen veel werkzaamheden uit handen namen. De voornaamste bron van inkomen was
landbouw. In de ambachtsheerlijkheid Kijfhoek, waar het klooster gevestigd was,
bezaten de broeders 121 morgen, in de Lindt 8 en in Schobbelands Ambacht 20
morgen. Een morgen is een stuk land dat in het verleden in één
morgen geploegd kon worden.
Eemstein speelde een belangrijke rol bij
de verspreiding over de noordelijke Nederlanden van de geschriften van bijvoorbeeld
Jan van Ruusbroec en Johannes van Schoonhoven. Een onbekende kanunnik uit Eemstein
vertaalde in 1428, mogelijk zelfs eerder, de Imitatione Christi (de navolging
van Christus) uit het Latijn in het Middelnederlands, het beroemde boek van
Thomas a Kempis. Boeken uit Eemstein zijn over de bibliotheken van heel Europa
verspreid geraakt. Een bekend schrijver uit Eemstein was Hendrik de Wilde, proost
van 1395 tot1400, één van de volgelingen van Geert Grote, de stichter
van de Broederschap des Gemeenen Levens, welks streven gericht was op een leven
van ware vroomheid en praktische naastenliefde.
Eemstein was één
van de bolwerken van godsvrucht, waar de beginselen van de Moderne Devotie tot
het einde toe in ere werd gehouden.
De kloosterlingen stonden bekend om hun
liefdadigheid en deden veel voor het geestelijk welzijn van de bewoners van
de Zwijndrechtse waard en van Kijfhoek in het bijzonder. Praktische zielszorg
stond bij hen voorop, evenals het onderwijs aan kinderen. Zelf grondeigenaren,
beoefenden zij de landbouw en hielpen zij de agrarische bevolking. Het is begrijpelijk
dat de monniken daardoor zeer geliefd waren.
Het verhaal wil dat onder anderen
de eerste bisschop van IJsland hier zijn praktijk opdeed.
Er woonden overigens
geen "heiligen" in het klooster. Niets menselijks was hun vreemd. Eén
hunner beging zelfs de fout een op rijm gestelde liefdesverklaring af te leggen
aan een non in Dordrecht...
Verwoesting
Op 14 juli 1572, kort nadat de stad Dordrecht tot het gereformeerde kamp was toegetreden, trok een groep watergeuzen uit Brielle, onderaanvoering van Dordtenaar Dirk Wor, voormalig schipper uit Emden, naar de Zwijndrechtse Waard om Eemstein te plunderen en in brand te steken. Vijf wachtschepen die op de Oude Maas patrouilleerden konden niet voorkomen dat het geuzenvendel zich van het klooster meester maakten. De vuurgloed die zich al spoedig aan de hemel aftekende, was voor de bewoners van Kijfhoek het bewijs dat het uitgebreide kloostercomplex een prooi van de vlammen was geworden. Het betekende tevens dat een einde was gekomen aan het zegenrijke werk van de bewoners van Eemstein. Helaas, een heel godsdienstig, devoot, cultureel en wetenschappelijk centrum verdween uit Kijfhoek. De dorpjes in de omgeving gingen daarop in hun geheel over tot de nieuwe religie. Naar verluidt maakte een opstoot van fanatieke protestanten het afgebrande klooster met de grond gelijk, zodat er zelfs van de fundamenten nauwelijks meer iets te zien was. De broeders, op het juiste moment gevlucht, hielden zich enige tijd te ´s Hertogenbosch op, waarna zij zich op het gezag van het kapittel in verschillende Brabantse kloosters lieten opnemen. De Staten van Holland kenden de ontheemde geestelijken een jaarlijkse alimentatie toe, de broeder ieder 100 en de prior 200 pond. Een deel van de kloostergoederen kwam na de plundering ten goede aan een algemeen fonds ten behoeve van het kapittel van Windesheim.
Opgravingen
In 1839 is het kloosterterrein grotendeels afgegraven om het geschikt te
maken voor landbouw. Hoewel er twee historici bij aanwezig waren, is er weinig
opgetekend. Veel vondsten werden bewaard in de naastgelegen boerderij Eemstein,
maar deze gingen bij een brand verloren. In 1859 werd een schets van de fundamenten
van Eemstein vervaardigd naar aanwijzing van de heer Schotel, één
van de twee historici.
In 1895 ondernam de oudheidkundige vereniging Oud
Dordrecht op initiatief van onder anderen mr. Simon van Gijn een wetenschappelijke
opgraving. Deze wetenschappelijke opgraving werd commercieel aangepakt: er werden
entreegelden geheven voor belangstellenden. Donateurs brachten geld bijeen voor
de aanpak, waardoor vier arbeiders gehuurd konden worden. Jan Leeuwenburg, eigenaar
van boerderij Eemstein, stelde zijn terrein gaarne ter beschikking van de wetenschap
in ruil voor een derde deel van de waarde van de te vinden goederen en de helft
van de entreegelden.
De opgraving werd vrij grof aangepakt. In viereneenhalve
maand werd een oppervlakte van zo´n 210 bij 90 meter tot een diepte van
75 centimeter uitgegraven. Men beperkte zich tot hoofdzaken en belangrijke aanwijzingen
die inzicht konden bieden in de bouwgeschiedenis gingen voorgoed verloren. Toch
zijn er nog tal van aardige vondsten gedaan. Het mooiste daarvan is wel een
gebrandschilderd ruitje waarvan alle scherven bijeen konden worden gebracht.
Het opschrift er op luidde "Broer Cornelis pastoer van Kyffoeck". Naast keramiek,
gebruiksvoorwerpen, werktuigen, en bouwmaterialen werden dertien graven blootgelegd.
Veel van de voorwerpen werden ondergebracht in het Museum Mr. Simon van Gijn
te Dordrecht.
In de jaren veertig, vijftig en zestig van de twintigste eeuw werd door een
groep belangstellenden, waaronder H.J.E. van Beuningen (van het Museum Boymans-Van
Beuningen) opnieuw archeologisch onderzoek verricht. Er werd voornamelijk gegraven
langs de vroegere bedding van de Devel aan de zuidzijde van het terrein, die
tot dusverre ongemoeid was gelaten. Hun inspanningen leverden grote hoeveelheden
keramiek, glaswerk, vroege majolica en tin op, delen van pijpaarden beeldjes
en tableaus en nog vele andere zaken. Ook hier deelde Jan Leeuwenburg in de
vondsten. Een deel van de vondsten is ondergebracht in het Museum Boymans-Van
Beuningen te Rotterdam.
Tot op heden zijn de vondsten van de afgelopen
honderdvijftig jaar niet in zijn totaliteit beschreven en bestudeerd.
Bronnen:
Het klooster Eemstein bij Zwijndrecht, door drs. Gerrit
Vermeer, uitgave Walburg Pers Zutphen 1986 ISBN 906011.487.6
diverse artikelen
Zwijndrechtse Kombinatie, 1983, door drs. Gerrit Vermeer
gemeentearchief
Zwijndrecht
De
Vergulde Swaen