de oude Ringdijk en omgeving in schetsen van
Anton Verhoeven Tot 6 maart 2005
Antonie
Verhoeven (Dordrecht, 31 juli 1920) begon in 1941 voor het eerst met olieverf te
werken. Hij tekende al sinds zijn schooltijd en maakte veel pentekeningen die
hij voor een daalder verkocht. Van een buurmeisje kreeg hij wat verf en daarmee
tekende hij een schilderij van Raaphorst na. Vervolgens schafte hij zich zelf
wat verf aan, en maakte een Jan Steen na, het bekende Sinterklaasavond. Zijn
jarenlange ervaring met pentekeningen waren een goede studie en oefening
gebleken. Al gauw schilderde hij stillevens en landschapjes. Met een ezeltje
ging hij Dordt in en maakte zo’n twee werken per dag. De onderwerpen lagen in
Dordrecht voor het opscheppen.
Op zijn veertiende was hij begonnen als
leerlingstukadoor en al snel bleek zijn talent voor dit vak. Hij had het
sierpleisterwerk in z’n vingers. Dit vak zou hij 63 jaar lang beoefenen.
Tijdens de bezetting reisde hij naar Venlo, waarmee hij voorkwam dat hij in
Duitsland werd tewerkgesteld. Er bleef gelegenheid over om te schilderen en in
1943 had hij zelfs twee exposities, in Venlo en in Deurne. Bij beide exposities
hield de dichter A.J.D. van Oosten een bespreking “over het werk van den veel
belovenden jonge kunstenaar”.
In een kranterecentie schreef recensent Jos. van
Schaveren:“Wat bij dezen jongen schilder het meest opvalt is zijn verrassend
goed coloriet [kleurmenging, kleurschakering op een schilderij]. Het is niet
ongebonden fel, het is ook niet dof geworden door teveel zoeken en tasten. Het
is of Verhoeven eigenlijk meer spelend de kleur beheerscht, of hij een
natuurlijke hang heeft naar het juiste. Deze ervaring doet men op zoowel bij
zijn stadsgezichten en landschappen als bij zijn stillevens. En daarom ook blijf
je graag kijken naar vrijwel alle schilderijen van dezen jongen kunstenaar, ze
zijn goed inslaande-, geen overdonderende-, maar wel een altijd aansprekende,
constante vreugde

Van Schaveren merkte op dat van zijn werk de
stillevens het minst geslaagd zijn, hij mist het vasthouden van het leven in de
composities. Uit zijn latere stillevens blijkt dat Verhoeven zich die gave
steeds meer toeeigent en daarbij de perfectie van de oudhollandse meesters weet
te evenaren.
Een half jaar na zijn aankomst te Venlo verhuisde Verhoeven naar Deurne. Daar
maakte hij hele mooie schilderijtjes van de Peel. In januari ’45 reisde hij
terug naar huis.
Na de oorlog was het materiaal soms nog zo schaars dat Anton doeken aan twee
kanten gebruikte wanneer hij niet tevreden over een schilderstuk was.
Een kunstzinnige vriend uit de Genestetstraat,
A.J. Stiegelis Jr., begon in 1946 een kunstwinkeltje annex expositiezaal in de
Wijnstraat 124, “de Lantaern”. Verhoeven hielp hem bij het opknappen. De opening
van de zaak werd verbonden aan een expositie van werken van Verhoeven.
In 1948 exposeerde Verhoeven andermaal in De
Lantaern. De criticus Anthony Bosman stelt dan dat in vergelijking met het
voorgaande jaar aanmerkelijke vooruitgang merkbaar is: technisch zowel als ten
aanzien van de benadering van het gegeven. “Men merkt het duidelijk: Verhoeven
staat vrijer tegenover wat hij schilderen gaat en dit veroorlooft hem iets meer
te geven dan het eigenlijke onderwerp.”
“De specifiek Dordtse, van vocht doortrokken atmosfeer blijkt nog slechts weinig
van zijn invloed ingeboet te hebben bij die schilders, welke voortbouwen op de
Haagse school. Juist dit “iets meer” bij Verhoeven is opvallend en hierop doelde
ik met de invloed van de Dordtse atmosfeer, die het werk van veel
impressionistische Dordtse schilders een eigen accent geeft. Men zou zelfs van
een Dordtse stijl kunnen spreken, waarvan wellicht met enige goede wil de
oorsprong reeds te vinden is bij de zeventiende-eeuwse schilders Jan van Goyen
en Aelbert Cuyp.
Deze kunstenaars hadden oog voor het atmosferische, van water en lucht, voor de
stemming, die ons nu nog bij de rivieren treft. Met het negentiende-eeuwse
impressionisme, dat in onze stad ook tot bloei kwam, zij het later dan elders,
wordt het uitbeelden van deze sfeer en stemming het doel van de schilderkunst.
Vele namen zijn te noemen, maar die van Reus en Lary mogen voldoende zijn en van
de nog levenden: Noltee, Mühlhaus en Wijnhoven. Zij allen bezitten het gevoel
voor het grijs in verschillende schakeringen, dat landschap en rivier omsluiert.
Nu laat een jonge schilder Antonie Verhoeven zijn werk zien en weer vinden we er
dezelfde elementen, die voor een deel van de Dordtse schilderkunst kenmerkend
zijn. Onberoerd voor wat er in de wereld om hem heen gebeurt, afzijdig van alle
nieuwe uitdrukkingsvormen zet deze schilder een traditie voort.”
“De Lantaern” liep een paar jaar heel goed, totdat Stiegelis jong overleed aan
een hersenbloeding.
Aanvankelijk schilderde Anton Verhoeven thuis. In 1956 trouwde hij en ging hij in Zwijndrecht wonen. Bij een kennis van zijn vrouw vond
hij een nieuw atelier. Toen dat huis werd verkocht keerde hij terug naar zijn
ouders om te schilderen. Toen deze naar een bejaardenhuis gingen, verkaste
Verhoeven naar het Raadhuisplein in Zwijndrecht. Dat was in de jaren zeventig.
Vervolgens had hij zijn atelier aan de Burg. de Bruïnelaan 33, bij Gerrit de
Leeuwerk. Het was daar dat hij naar zijn zeggen zijn mooiste stillevens maakte
vanwege de prachtige lichtinval. Toen deze overleed in 1985 kon hij nog een
tijdje doorwerken, maar na verkoop van het huis richtte hij thuis een kamertje in.

Omstreeks 1972 begon Verhoeven zijn aandacht van
Dordrecht op Zwijndrecht te richten, toen de afbraak van de dijkwoningen begon
als gevolg van de dijkverhoging. Dit resulteerde een aantal jaren later in een
prachtige serie tijdsdocumenten die een verloren schoonheid weergeven die op
foto’s nauwelijks is te vinden. Het zien van die tekeningen, vaak in houtskool,
doet het besef dagen wat Zwijndrecht, van oorsprong een dijkdorp, heeft
verloren.
Menigeen zal hem hebben gezien wanneer hij, zittend onder een grote paraplu of
met zijn fiets als “werktafel”, bezig was aan een schets. Vaak hetzelfde
onderwerp, maar steeds weer anders. “Want het Veerplein blijft wel hetzelfde,
maar er liggen steeds weer andere schepen, er lopen steeds weer andere mensen.
Het uitzicht op de kerk in Dordrecht blijft hetzelfde, maar er tussen is er
steeds een boeiende en veranderende beweging.” Oog voor detail had hij zeker, en
wanneer iets eenmaal, op papier stond zagen mensen opeens hoe mooi dat oude
huisje, dat rommelige plekje of die oude straat eigenlijk was.

In 1988 reisden hij en zijn vrouw voor het eerste
naar Engeland, naar Thorpe in de Midlands, vlakbij Ashbourne, Derbyshire. Daar
keerde hij elk jaar terug en schilderde er veel. In ’90 gingen ze voor het eerst
met de bus naar Zuid Engeland, Cornwall, en daar komt het echtpaar nog steeds.
Het gebeurde wel dat hij zijn logies betaalde met een schilderij.
Naast landschappen vormen vooral stillevens zijn specialiteit, geschilderd met
brede toets in naturalistisch-impressionistische stijl.
Zijn stillevens zien er zeer realistisch uit en vallen derhalve in de categorie
“Realisme”, een kunststroming uit de negentiende eeuw die een reactie was op de
Romantiek. Zijn werken lijken op de oude meesters uit de Gouden Eeuw. Verhoeven
is een autodidact, al keek hij wel naar technieken van oude meesters.
Voor zijn stillevens maakte hij gebruik van authentieke voorwerpen: glazen,
kruiken, schalen. Het materiaal dat hij gebruikte moest aan de hoogste eisen
voldoen: de beste verf, liefst volgens oud procédé gemaakt. Ook zijn kwasten van
marterhaar waren soms al tientallen jaren oud. Hij was daar erg zuinig op.

Al met al was hij voor Zwijndrecht een schilder van belang, ook vanwege het
vastleggen van historische plekken. Zijn stillevens hebben een kunstzinnige
waarde die bestand is tegen de tijd. Anton Verhoeven overleed op 22 februari
2006.
Marcel J.A. Deelen
|