Herberg Steenen Kamer
Herberg De Steenen Kamer
In het gehucht
Meerdervoort stond reeds voor 1570 de bekende herberg De Steenen Kamer, waar
ook het gemeentebestuur van Meerdervoort alsmede het dijkscollege van de
Zwijndrechtse Waard vergaderde. Ook werd er recht gesproken. Het stond bekend
als “alleraangenaamst gelegen en als uitspanningsoord gunstig bekend”. Er lag
tevens een “welbezocht veer voor voetgangers over de Oude Maas op Dordrecht”.
Ook was er een kolfbaan.
Van Ollefen beschrijft het is 1795 als volgt: “Zij wordt het meest bezocht op
Pinxter, wanneer het te Zwijndrecht kermis en paardemarkt is: alsdan weeten
vooral de Dortenaaren er zig nog op zijn oud Hollandsch te vermaaken, en zig
lustig te spiegelen in den rondgaanden pokaal: de Steenekamer wordt ook veel
gebruikt tot het aanleggen van bruiloften, en maaltijden, onder de
aanzienlijkste opgezetenen.” Maar evenzeer was het een geliefkoosd oord voor de
gewone man.

De herbergier van “De Steenen Kamer” was tevens veerschipper van “Het veer op
den Mijl”, en veel Dordtenaren kwamen via dit veer kolven op de kolfbaan van De
Steenen Kamer, of kwamen wandelen rond de ridderlijke hofstede Meerdervoort en
in de bosrijke omgeving van de Oude Maas.
Het veer op de Mijl of het “Stads ledige erf” , waarvoor de ambachtsheer in 1777
octrooi van de Staten had gekregen, was een geduchte concurrent van het
officiële veer. Het kwam in 1867 in bezit van de gemeente Zwijndrecht die het
twee jaar later overdeed aan Dordrecht.
Herbergier van de Steenen Kamer was in 1830 Cornelis van Sandeling. Hij huurde
de herberg in ieder geval tot 1831 voor Hfl. 550,- per jaar.
In 1835 klaagt deze over het “verregaand misbruik van het overzetten van
passagiers door onbevoegden uit de zoogenaamde Westkeetsche haven”.
In 1848 laat de amsterdamse bankier Julius Bernhard Sichel, die dan eigenaar is
van de Heerlijkheid, het Huis alsmede De Steenen Kamer afbreken.
Waarom de herberg “De Steenen Kamer” heette, is een gok. Hoewel de meeste
middeleeuwse boerderijen van hout waren, stonden er in de Zwijndrechtse Waard
opmerkelijk genoeg minimaal drie deels uit baksteen bestaande hoeven bekend; de
zogenaamde “ steenen camers”. Zowel Develstein, Meerdervoort als de Waelneshoeve
in H.I.Ambacht worden in oude geschriften zo omschreven. Mogelijk is deze
boerderij in Meerdervoort de latere herberg. Hoewel de herberg te zien is op
Cuyps schilderij uit 1652, is het niet gezegd dat het gebouw toen inderdaad als
herberg fungeerde.
Herberg De Steenen Kamer is de reden van het verblijf van mensen van diverse
pluimage.
In oktober 1820 waarschuwt de Officier van Justitie te Dordrecht, B.J. Vrythoff,
tegen een ultra-liberale spaanse zendeling genaamd Marino, die zich hier zou
ophouden “om ook hier zyn verderfelyke leer te verkondigen”.
In dezelfde missive verzoekt hij of zich een engelse geestelijke in de gemeente
ophoudt, genaamd William Robert Brown uit Aberdeen, Schotland.
In januari 1821 vraagt hij naar een zekere Pierre Latour uit Aurey in Frankrijk.
In oktober 1835 klaagt een gepensioneerd luitenant ter zee eerste klasse over
het feit te moeten delen in de dorpslasten door zijn verblijf in de herberg.
Aantal biersoorten in Zwijndrecht en elders in de Zwijndrechtse waard,
1400-1500:
oestersbier (van de Oostzeestaten, Hamburgerbier, Bremerbier, Wissemerbier,
Jopenbier, Engelsbier, Besonsbier.
Dunbier – scerpbier en andere smace vaten biers in die herberghe te coop.
Er werd betaald met diverse muntsoorten: De Rhynse gulden, 20 stuijvers tstuk,
de Philips (25), Davids (84), Andries (170), Lichte (10), Een Duijt (1/8
stuijver) (of twee penningen; 2 duyten = 1 oortje, 4 duyten = 1 groot, 6 duyten
= 1 blank, 8 duyten = 1 stuyver, 10 duyt = 1 braspenning, 5 duyt = ˝ braspenning),
een Croen (25 stuyvers).
De waarde van de muntsoorten werd soms willekeurig vastgesteld en verschilde van
dorp tot dorp.