stadsgalg
Tussen Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht ligt de Galgeplaat.
Dichterbij, op de hoek of samenkomst van de Noord en de Oude Maas, het Galgeveld.
Op de eerstgenoemde locatie stond de Baljuwsgalg. Hier werden moordenaars gehangen
welke een moord hadden begaan in de heerlijkheid waar een baljuw het halsrecht
had.
Op de tweede locatie stond vanaf 1346, niet ver van het voormalig
Huis Walburg, de Dordtse stadsgalg. In de "Beschrijvingen der Stad Dordrecht"
van Matthijs Balen wordt voor de eerste maal gesproken over de stadsgalg, die
de gemeentebestuurders van Dordrecht maar naar de overkant van de rivier hadden
verplaatst om de bevolking te vrijwaren van nare lucht die om de plaats van
de terechtstelling pleegde te zweven. Een oorkonde van Margaretha van Henegouwen
- dezelfde dame die Zwijndrecht een kerk schonk (zie Oude Kerk) - van 31 juli
1346 vertelt: "Voorts soe gheloven wy, ende willen oick mede dat men die Galghe
ons Gherechts van onses stedes voorz., daersy nu staet, versette sal opten naeste
Noort, die ghelegen is tusschen Papendrecht ende Zwijndrecht, overmits dat si
onser Stede van Dordrecht altenafstaet".
Zo gebeurde het dat dan ook volgens de bevelen. Buitendijks werd aan de Noordoever
een driepotige galg opgericht met plaats voor vijftien veroordeelden. (De galg
moest in die tijd ook wel een ferme capaciteit hebben, want de veroordeelden
moesten, mede ter afschrikking, blijven hangen totdat "zij uitgedropen waren".
Zo heeft een vroeger geschiedschrijver dat tenminste uitgedrukt. Ook de vogels
profiteerden van de gelegenheid en pikten geducht aan het vlees van de gehangenen.)
Later - men vermoedt omstreeks 1600 - kwam er onder de staanders nog een houten
bordes dat met gele ijsselsteen werd bekleed.

Het gebeurde in de 14e
eeuw regelmatig dat veroordeelden in de stad Dordrecht zelf gehangen werden,
o.a. aan de galg die bij de Vriesepoort heeft gestaan, waarna de lijken naar
de overzijde van de rivier werden gebracht om aldaar opnieuw aan het koord te
worden vastgemaakt. Maar ook gebeurde het dat de Hollanders die halsmisdrijven
hadden gepleegd, op het Galgenbosch zelf terecht werden gesteld. In het klepboek
van Dordrecht staat zo'n geval opgetekend. Het gaat om Cornelis Barbeij uit
Honschoten in Vlaanderen, die in de wandeling aangeduid werd met de afschrikwekkende
naam "Bolle met de Zes Hacken". Hij moet, gewapend met zes bijlen of messen,
zijn terreur hebben uitgeoefend, totdat hij door de rakkers van de schout voor
de baljuw en de Hoge Vierschaar werd gesleept, die meedogenloos (terecht) vonnis
over hem velden. "Ten exempele" werd hem voor de eigenlijke voltrekking van
het vonnis de rechterhand afgehouwen. De hand werd tegen de paal van de galg
gespijkerd. Vervolgens kreeg de Bolle het koord om de hals en rekende de bevolking
met gestrengheid af met deze misdadiger.
De kamerbewaarder of stadssecretaris
die in 1627 het vonnis in het register van het klepboek optekende, maakte er
direct maar een speelse tekening bij. Mede daardoor weten we exact hoe de galg
er uit zag.
Dat de locatie van de galg goed beviel, blijkt uit het feit
dat op 15 mei 1355 Willem V het voortduren van de executieplaats bevestigt.
Het moet zeker een belangrijke galg zijn geweest. Zeer waarschijnlijk kwamen
alle veroordeelden uit Zuid-Holland die moesten worden gehangen naar Zwijndrecht
om op het Galgenbosch de laatste adem uit te blazen.

1966
Jaren
zijn voorbijgegaan. Wanneer de laatste misdadiger er gehangen heeft, is onbekend.
In 1795, na de franse inval, werd de doodstraf tijdelijk afgeschaft; onder Willem
I werd ze weer ingevoerd. De laatste misdadigers zijn in 1846 in Dordt opgehangen,
maar of ze toen nog naar Zwijndrecht zijn gebracht, is onbekend. De galg verdween,
de naam bleef. Wat ook bleef, waren de funderingen. Zo'n 620 jaar later worden
deze, bij grondwerk aan de bochtafsnijding van de hoekafsnijding Noord/Oude
Maas, blootgelegd.

De ontdekking is van groot belang, maar wordt niet als zodanig onderkend. Weliswaar wordt er door de dienst Rijksoudheidkundig Bodemonderzoek uit Amersfoort naar gekeken, maar daarna is het al gauw gedaan met de fundamenten. De gemeente, met name gemeentewerken, adviseert de resten snel op te ruimen, het werk mocht eens vertragen. Dat er toch nog ruchtbaarheid aan is gegeven, is te danken aan de toen twintigjarige tekenaar van Rijkswaterstaat J.T. Bokma, die de oude executieplaats op foto's vastlegde en de krant benaderde. Toen het eenmaal in het nieuws was terechtgekomen, is er in ieder geval één Zwijndrechtenaar geweest die zo'n met lijkensappen doordrenkte funderingssteen heeft gered: de toen nog vrij onbekende kunstenaar Lucien den Arend.

De
Vergulde Swaen