april t/m juni: Keuze uit het Zwijndrechts Kunstenaars Kollektief
Vanaf 1986 tot medio 1995 was het Zwijndrechts Kunstenaars Kollektief
actief in Zwijndrecht. In het Kollektief hadden zich verenigd Corbeau (Jan de
Kraaij), Anton Gouma, To Kuyper, Piet van Rhoon, Jan Saarloos, en Fred Tuynman.
Deze expositie biedt een greep uit hun werk.
Het Zwijndrechts Kunstenaars
Kollektief werd opgericht op 23 maart 1986. De leden echter waren al veel langer
actief op kunstgebied binnen Zwijndrecht. Aanvankelijk bestond de groep uit
vier personen: To Kuyper, Fred Tuynman, Corbeau en Piet van Rhoon. Doel van
de groep was het onderling contact te verstevigen. Men wist van elkaar, maar
kende elkaar niet echt. Soms ontmoette men elkaar tijdens exposities. In 1990
kwam Jan Saarloos erbij, in 1991Anton Gouma. Hoewel uitbreiding altijd mogelijk
was, waakte men ervoor niet zo groot te worden dat gezamenlijke exposities niet
meer mogelijk waren in één zaal.
Het Kollektief bleek een succesformule.
In 1991 exposeerden de leden in het Duitse Norderstedt. Daar werd het werk omschreven
als "eine Galerie von bizarrer ästhetik, Schönheit und Qualität".
Medio 1993 verlieten de leden Gouma en Saarloos het Kollektief. Piet van Rhoon
was in 1988 overleden. Zo gleed de groep langzaam naar de achtergrond.
Corbeau (Jan de Kraaij)

Al
jong tekende en schilderde Jan de Kraaij (6 dec. 1932) er al op los. In 1953
kwam hij naar Zwijndrecht als onderwijzer aan de Meerdervoortschool in de Balistraat.
De veelzijdigheid van onderwijzer op een basisschool trok hem meer dan dat van
leraar op een middelbare school. Afwisseling is voor hem uiterst belangrijk.
Tekenen en biologie waren wel zijn lievelingsvakken.
Zijn werk heeft
een figuratief karakter met vaak een zweem van poëzie. De meest gebruikte
technieken zijn schilderen en tekenen, dikwijls als gemengde techniek, met inkt
en aquarelverf of dekverf (gouache) als materiaal. Meestal op papier. Aparte
vermelding verdient de techniek "gewassen potlood", waarbij de tekening
met een speciaal soort potlood in brede lijnen wordt gemaakt, waarna met penseel
en water deze lijnen worden uitgevloeid tot verschillende gradaties grijs.
De natuur is meestal zijn inspiratiebron, welke hij vastlegt in stemmige boslandschappen
of in gelijkmatige microscopische structuren. Ook gevoel voor humor ontbreekt
niet.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn aquarel "De Tjechische goudvis" of zijn "Zwevende cactus" omdat er al zoveel normale cactussen op de wereld zijn.

Non-figuratief werk trekt Jan niet, hoewel hij wel bewondering heeft voor mensen
die na een figuratieve periode non-figuratief werk gaan maken. Dat is een bepaalde
ontwikkeling, die iemand in zijn leven doormaakt. Denk aan Piet Mondriaan, die
als "modern" kunstenaar toch de klassieke grondbeginselen van het
rekenen beheerste.
Tot op dit moment houdt Jan de Kraaij, ook werkend lid
van Pictura, regelmatig "Gallery Days" in zijn huis.
Anton Gouma
Anton Gouma (Drachten, 1949) begon op zijn
achttiende met schilderen en woont sinds 1976 in Zwijndrecht. Hij sloot zich
in 1991 aan bij het Kollektief. Zijn inspiratie haalt hij voornamelijk uit de
natuur. Bij voorkeur schildert hij woestijn en landschappen. Hij werkt het meest
met olieverf op linnen, maar ook geometrisch abstract in aquarel. Verder maakt
hij lino-snedes. De techniek "multicolor monotype" is een uitvinding
van hemzelf, waarbij hij een schilderij maakt door middel van op glas aangebrachte
verf. Het geeft een semi-figuratief effect.
To Kuijper

De Zwijndrechtse keramiste To Kuijper werd in 1923 in Purmerend geboren. To
vond thuis haar eerste baan: in de drogisterij van haar ouders. Later vervulde
ze een functie bij de PTT, eerst in Amsterdam, vervolgens te Rotterdam, waar
ze ook exposities voor het bedrijf organiseerde. Tegelijkertijd volgde ze een
cursus beeldhouwen. Ze was toen 23 jaar. Na haar huwelijk vestigde ze zich in
Zwijndrecht, waar ze zich meer en meer toelegde op boetseren. Het handvormen
en glazuren leerde ze van de Dordtse Margreet Huisman.
Haar eerste kleine
oven werd door haar man Wim zelf gebouwd. Ze werkte in het schuurtje bij hun
huis aan de Prinses Marijkestraat. Toen To ging exposeren, kwamen ook de vragen
van bewonderaars om van haar te leren. De gemeente Zwijndrecht had een ruimte
voor haar en in november 1967 vestigde zij zich aan het Veerplein 10 in het
voormalige Veerhuis. Haar atelier kreeg de naam "Het Oude Veerhuys".
Eind jaren zeventig kocht zij het pand van de gemeente.
In 1969 kwam To´s zwager, employé bij de Holland-Amerika-lijn,
met de opmerking dat men voor een cruise van 89 dagen voor het Vlaggeschip Rotterdam
nog een pottenbakster zocht. Voor deze wereldreis, startende vanuit New York,
werd werkelijk alles gedaan om het de vaak zeer rijke passagiers
naar hun zin te maken. Aldus maakte ze twee wereldreizen, in 1970 en 1972. Tijdens
haar lessen in de "sunroom" steeg het enthousiasme van de passagiers
enorm. De klei werd zelfs mee naar de hut genomen en ook het personeel boetseerde
er flink op los. Tijdens de cruise werd in het "lido" (corridor naar
restaurant) een expositie gehouden van de cursisten, die door de kapitein werd
geopend.
Vlak voor de eerste cruise ontmoette ze in New York de keramist
Kochin Nagami, één van de Japanse topkeramisten, waaruit een vriendschap
opbloeide.
In 1996 werd het Oude Veerhuis gesloopt en zette To haar atelier
nog enkele jaren voort in het naastgelegen pand. Haar werk is figuratief met
een eigen kenmerk. Verder maakte ze draai- en handvormen, plastieken, beeldengroepen
en raku.

Piet van Rhoon
De liefde voor het penseel kwam bij Piet van Rhoon
(Zwijndrecht, 1935) niet met de kinderjaren, maar op zijn 38e, toen hij ermee
begon als hobby naast zijn beroep als postbesteller. Aanvankelijk schilderde
hij figuratief onder invloed van Clement Bezemer. Na zijn figuratieve periode
ontwikkelde hij een eigen stijl en kan zijn werk als semi-figuratief worden
beschouwd: in zijn met grote ijver gemaakte creaties was nog heel vaag het onderwerp
te herkennen. Voor de kunstliefhebber blijft er veel ruimte over voor de eigen
fantasie, want ieder herkent er iets anders in. Juist dat had Piet graag, want
hij wilde dat men zijn schilderijen niet bekeek, maar beleefde.
Zijn grote
inspiratiebron was de natuur. Hij vertoefde graag op de waddeneilanden, waar
zee, lucht en land veel indruk op hem maakte. In zijn werk gebruikte hij diverse
technieken, waaronder olieverf, aquarel, houtskool, gemengde techniek waarbij
met de spatel acrylverf op aquarel werd aangebracht.
Hij had een verfijnd
gevoel voor kleur, wat hij met grote spontaniteit aanbracht op het doek, zonder
echter de harmonie uit het oog te verliezen. Met deze spontaniteit gaf hij zich
helemaal over aan zijn werk, waarbij hij al zijn emoties in het doek stopte.
Clement vond dat deze manier van schilderen energie verslond.
Begin jaren
tachtig werd hij lid van Pictura. Hij exposeerde op diverse tentoonstellingen
in Polen, Duitsland, België en natuurlijk ons eigen land. In Polen werd
eens gezegd dat hij met zijn penseel de kleuren dirigeerde. Zijn werk, waarin
de Polen door de uitbundigheid de vrijheid van de mens herkenden, maakte hier
veel emoties los.
Piet was een filosofisch ingestelde man met veel mensenkennis.
Vaak beantwoordde hij vragen met beeldspraak, soms ook erg humoristisch. Hij
had waardering voor de wijze waarop kinderen tekenen, spontaan en puur.
Piet
van Rhoon overleed in 1988.
Jan Saarloos

Jan
Saarloos (´s Gravendeel, 1948) creëert met zijn dierachtigen een
eigen fantasiewereld. Daar begon hij al vroeg mee; van "waardeloze"
voorwerpen maakte hij objecten. Eind jaren zestig verkocht hij geëmailleerde
sieraden via boetieks en markten. Eind jaren zeventig ontdekte hij klei als
materiaal. Na jaren creatief werken voelde hij zich als autodidact toch te beperkt
en wilde hij bovendien van zijn hobby een beroep maken. Hij begon in 1987 aan
de opleiding Fijnkeramische technieken, in Gouda. Vanaf 1990 is hij beroepspottebakker/keramist.
Bij zijn dieren zijn meer eigenschappen niet dan wel aanwezig. Bewust laat Saarloos
bepaalde kenmerkende eigenschappen van dieren achterwege en reduceert hij zoveel
mogelijk, om tot de essentie van het dier te komen. Daarnaast verandert hij
de proportionele verhoudingen van het dier. Zijn dieren lijken daarom in eerste
instantie op kangoeroes, kikkers of vogels, maar bij nader inzien blijkt dit
beeld niet te kloppen. Er is een karikatuur ontstaan, een nieuw wezen met bijna
menselijke trekken.
De dieren hebben een grote expressie: een grijnzende
kikker die je brutaal aankijkt of een piepkuiken, dat dromerig voor zich uitstaart.
De vogel- en visvormen vallen juist op door hun felle kleurstellingen.
Hoewel
de anatomie niet klopt zijn deze dieren nooit uit balans. De uitgewerkte details
van de kopjes en de klauwtjes blijken het overwicht van de zware volumineuze
massa van het lichaam en de poten met gemak te compenseren.
De dierachtigen
van Jan Saarloos zijn met de hand gevormd. Het draaien gebruikt hij als aanvulling
op zijn handgevormde objecten. De glazuren die hij gebruikt zijn in de loop
der jaren zeer verscheiden geworden, maar vormen altijd een eenheid met het
object en versterken de vorm. Afhankelijk van de vorm wordt er op een lage aardewerktemperatuur
of hoger op steengoedtemperatuur gebakken, in zowel elektrische als gasovens.
Ook maakt hij gebruik van diverse raku-technieken en gebruikt veldovens.
Sinds 2001 woont en werkt Jan in een boerderij in Belfeld.
Fred Tuynman

Fred
Tuynman werd geboren in 1938 in Den Haag en volgde zijn opleiding beeldhouwen
aan de Akademie te Rotterdam. Het merendeel van zijn werk valt in de categorie "figuratief".
Het thema mens/dier inspireerde hem vaak. Hij realiseerde voor diverse bedrijven,
particulieren en gemeenten in binnen- en buitenland diverse plastieke opdrachten
en andere beelden in brons, keramiek, beton, hout en marmer.
In Brussel verwierf
hij in 1978 tijdens "Kunst in Europa" een bronzen medaille en in 1980
op dezelfde manifestatie een gouden. In 1988 maakte hij in Bulgarije een drie
meter hoog beeld van marmer. Momenteel woont Fred Tuynman in Spanje.
In Zwijndrecht
staan van hem verschillende beelden: in de hal van het gemeentehuis (hordenloopsters),
Kleine Pinguïns (brons) aan de Develsingel en Pinguïns aan de Boshuizen
(beide uit 1984).

Raku
Een koreaanse familie introduceerde in de zeventiende eeuw in Japan
een nieuw Raku-procédé voor het bakken van dakpannen. Japan, hèt
land van de keramiek en theeceremonie met zijn kimono-entourage, gebruikte deze
bakmethode al spoedig voor het verfijnde aardewerk (kommen en potjes). Dit werd
tot een ware kunst verheven. In Japan is mooi keramiek een uiterst waardevol
bezit en het draagt vaak de initialen van de eigenaar. In het Westen werd de
raku-techniek door Bernard Leach ingevoerd en tegenwoordig wordt deze techniek
op een breed scala van keramiek toegepast.
De klei wordt bij een zeer
geleidelijk oplopende temperatuur tot 1000 °C zeven à acht uur gebakken. Deze
eerste behandeling heet biscuitbakken. De scherf (vaktaal voor het gebakken
object) wordt eerst geglazuurd. Daarvoor zijn twee methoden: men brengt een
kleurlaag aan op de ongebakken klei (de sliblaag) en bakt dit met een transparante
glazuur, of men brengt een gekleurde glazuurlaag op de gebakken klei aan. Het
zijn chemische stoffen, die de mooie basiskleur van aardewerk bepalen. Zo bakt
de sliblaag rood door ijzeroxyde, groen door koperoxyde, bruin door mangaanoxyde,
blauw door kobalt.
Bij de tweede behandeling wordt de scherf in de oven bij
een temperatuur van 950-1000°C gedaan. Na een bepaalde baktijd wordt de scherf
met een metalen tang uit de oven gehaald en in een gesloten vat met bladeren
of houtkrullen gestopt. Wanneer het vat gesloten wordt, verbranden de
bladeren of houtkrullen alle zuurstof, waardoor deze verder wordt onttrokken
aan de in de glazuur aanwezige oxiden. daardoor onstaan de lusters. De enorme temperatuurdaling veroorzaakt kleine barstjes
in het aardewerk. Er ontstaat een rookontwikkeling en roetvorming. De barstjes
in het aardewerk worden met roet gevuld, dat door de hitte van het steen wordt
ingebrand. De zwarte barstjes in het glazuur geven nu het speciale Raku-effect.
De scherf wordt gereinigd en dan pas is het eindresultaat van deze verrassende
techniek te zien.
Keramisten gebruiken klei met een fijne of grove chamotte
(structuur). De drie belangrijkste soorten zijn aardewerkklei (1060 °C), steengoedklei
(1280 °C), en porseleinklei (1300 °C). Hoe hoger de baktemperatuur, hoe harder
het keramiek.
De
Vergulde Swaen